Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ker landschap verlicht. Hij gelooft, omdat hij uiét niet bang is, dat God in den dag des gerechts tot hem spreken zal: „gij hebt wel eenigszins gewandeld voor mijn aangezicht, toch heb Ik één ding tegen u. .gij hebt veel te eenvoudig aan Mijn woord geloofd; gij hebt Mijn wijsheid te zeer, uw eigen verstand te weinig vertrouwd; gij hebt te weinig acht gegeven op de meeningen der schriftgeleerden. Ook hebt gij veel te veel er op vertrouwd, dat mijn Geest u leiden •zou in alle waarheid, en dat ik u dien Geest op uw gebed kon en wilde schenken!" Wel siddert hij bij •de gedachte en de vreeze, dat hij eens door dit Woord en „de schrift, die niet kan gebroken worden", onbarmhartig veroordeeld zou kunnen worden, omdat hij dat woord hoogmoedig veracht en daarop met ingebeelde wijsheid uit de hoogte neergezien heeft.

Niet toevallig, maar met het oog op 't geheel staat aan 't einde van het goddelijk Woord deze ernstige, ja schrikkelijke vermaning: „Ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal over hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn. En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het .boek des levens, en wel uit de heilige stad en uit hetgeen in dit boek geschreven is. (Openb. 22:18,1,).

Wij behooren echter niet tot hen die twijfelen, maar in aanbidding spreken wij het uit: In den beginne schiep God den hemel en de aarde.

Sluiten