Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

De Aarde.

„De aarde ivas nu woest en ledig, en duisternis was op den afgrond(Gen. 1: 2).

„Met het machtige woord: „In den beginne schiep God den hemel en de aarde" begint en eindigt het eerste stuk, wij zouden kunnen zeggen: het eerste hoofdstuk van den bijbel. Met het woord: de aarde nu was woest en ledig, begint het tweede hoofdstuk, de nieuwere geschiedenis. Dat is niet meer de schepping dezer aarde, die reeds bestond. Hoe lang reeds, weten wij niet, want de bijbel zwijgt er over wanneer zij geschapen is. Zoo is er dan tusschen vs. 1 en 2 een groote gaping, een pauze in het bijbelsch verhaal. In die tussclienperiode schiep God den hemel der hemelen, met al zijn heir, met zijn ontelbare wonderen, met zijn hiërarchisch geordende legermachten, de „vele duizenden der engelen". (Hebr 12: 22) en de aartsengelen, de tronen en vorsten en geweldhebbers in de hemelsche woonsteden. Door den Zoon, door Wien en tot Wien alle dingen geschapen zijn, schiep Hij de Serapliijnen en de Cherubijnen, die Zijnen troon dragen, een deel der goddelijke heerlijkheid, de Sechinoh; den grooten vorst Michaël en Lucifer, de morgenster. Hoe snelden toen de tijden voorbij, hoe breidde de ruimte zich uit, hoe glansde de hemelsche

Sluiten