Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klinkt als een zwak, machteloos geluid, het sterft weg en is vergeten, daar zit geen kracht in; in God alleen is het woord ook daad, ook werkelijkheid: „Hij spreekt en 't is er; Hij gebiedt en het staat!"

Het woord: Er zij licht! vloeide met goddelijke noodzakelijkheid uit het zweven van den Geest over de wateren voort. Dit broeden moest het licht baren. De aarde was gestorven, vormloos leeg en donker; de Geest Gods ademde haar nieuw leven in. Het licht is een vroolijk ontwaken, een sidderen in zaligheid van de stof, het is haar leven, zooals de Logos „het waarachtige licht, het leven der wereld is". Deze Logos spreekt geen onsamenhangende woorden uit, neen in het woord: er zij licht! lag reeds het volgende opgesloten; in het woord omtrent de plant, dat omtrent het dier, in het woord omtrent het dier, dat omtrent den mensch. Deze scheppingswoorden zijn één groote, samenhangende, goddelijke uitspraak waarvan wij den zin verloren hebben, ofschoon wij hem tastend in het enkele woord „Schepping" trachten saam te vatten. Vandaar de solidariteit der geheele schepping, vandaar de gemeenshgappelijke val; vandaar het oordeel: „de aarde zij vervloekt om uwentwil."

„Er zij licht!" riep God uit over de aarde; „en het werd licht." God schept hier niet het eeuwige, ontoegankelijke licht, waarin Hij woont; ook niet het licht in de geheele groote schepping; bij het grondvesten der aarde toch zongen reeds de lichtende, heldere morgensterren hun lied mede (Job 38 : 7).

Sluiten