Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grijpelijker wordt het hem in menig opzicht. Hoe komt het b.v. dat ieder mensch, ook in een groote menigte, naar gelang van standplaats en perspectief een ander beeld te zien krijgt, m. a. w. dat vele honderde billioenen lichtgolven elkander onophoudelijk in de lucht, ja, in de wereldruimte kruisen, zonder elkander op te heffen, ja zonder dat 100 millioenen beelden in elkander vloeien. Zoo verklaart deze theorie niet het wonderbare perspectief en het kleiner worden der beelden door den afstand, terwijl zij eigenlijk evenals de lichtoppervlakte grooter moesten worden en wel volgens het quadraat van den afstand. De theorie der lichtgolven verklaart niet eens, zegt Babinet, waarom een verlicht voorwerp een scherp begrensde schaduw werpt. Zoo hebben wij ons verbeeld, dat wij de wet van het licht kenden, wij spraken hoogwijs en met volkomen zekerheid van doorzichtige en niet doorzichtige lichamen; daar kwamen de Röntgenstralen en namen ook deze zekerheid weg; wij zien nu de beenderen in het inwendige van den mensch, en met het licht van barietzouten kunnen wij door metalen platen, verscheidene centimeters dik, photografeeren.

Nauwelijks hebben wij ons een weinig hersteld van onze verbazing over dit nieuwe, onzichtbare licht, waarvan een natuuronderzoeker zegt: „de Röntgenstralen zouden iemand weer aan wonderen leeren gelooven" of wij hooren reeds van een andere soort onzichtbaar licht, de zoogenaamde Becquerelstralen. Deze stralen uit van zekere mineraliën en chemische stoffen, in 't bijzonder van Uranium en Bismuthverbin-

Sluiten