Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons woord, ons beeld aan beteekenis, doordat het wandelt door het heelal. Ook de meest onbeduidende persoonlijkheid kan, in meer letterlijken zin, dan de dichter van zich zelf zeggen: „Het spoor mijner aardsche levensdagen gaat in eeuwigheid niet verloren!" Ononderbroken, onverstoorbaar stroomt het doen des menschen de wereld door.

Ook hier is dat wat ons natuurlijk voorkomt, onnatuurlijk, en dat wat wij aanzien voor een wonder het normale in een normale schepping. Dat onsterfelijke geesten, die geschapen naar Gods beeld, de aarde bewonen, zoo blind en zoo doof zijn, zoo geketend door de banden der stof, dat een vader van zijn kind, van wien hij maar een paar mijlen verwijderd is, of een man van zijn vrouw, die aan den anderen kant van den heuvel vertoeft, niets hoort, niet weet of zij dood zijn of levend is een onwaardige beperking en gebondenheid van den geest. Ook hier ziet de Christen den zondeval en erkent, dat deze tegenwoordige schepping niet de oorspronkelijke is, en dat zij niet de blijvende kan zijn.

Indien engelen, reine geesten in hun oorspronkelijke, door geen zonde ondermijnde kracht en kennis, de aarde bewoonden — en was Adam niet bestemd dat te zijn? — hoe zouden zij niet, zonder onze kleine toestellen noodig te hebben, tijd, ruimte en afstand beheerschen, en elkander ten allen tijde van pool tot pool toeroepen: Looft den Heere! Hoe zouden zij elkander aanschouwen en zich te samen verblijden over de gemeenschap der gezaligden! Wij

Sluiten