Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en onderling verband. Het licht voor de oogen —ja voor de oogen Gods — en de oogen voor het licht. Wat zou het licht zijn, wanneer geen oog het ooit aanschouwde? Waartoe zou het oog dienen zonder licht? .Zoo is het leven er voor de ziel, en de ziel voor het leven, de geest voor de waarheid en de waarheid voor den geest en de wereld is er voor de liefde Gods. „Alzoo lief heeft God de wereld gehad."

Hoe dwaas is de bewering, dat God, die het licht en de stof schiep, zelf dit licht niet zou zien, deze stof, haar vormen en kleuren niet zou waarnemen! Hij zou dus, als een blinde de planten betastend, de honderdduizende oorspronkelijke vormen voor blad, bloesem en vrucht hebben gemodelleerd! Maar hoe is het dan gegaan met de zachte kleuren en schakeeringen van de bloemen, van de vlinder, van den prachtigen, tropischen kever en de schoone indische mossel ? Ach, deze God heeft ze nooit gezien — het past immers een God niet te zien; „dat zijn altegaar menschelijke en kinderlijke voorstellingen uit de kindschheid der menschheid." „O, gij dwazen" roept met recht de profeet en zanger uit „wanneer zult gij verstandig worden?" Maar deze dwazen blijven het gelooven, omdat een God, die hen niet ziet en niet hoort, het best in hun kraam te pas komt. Altijd tracht de mensch zich achter de verschijnselen in de natuur, achter de boomen van den hof te verbergen: hij huivert altijd, in het diepst zijner ziel, voor het oogenblik, dat hij eens naakt, zonder bedekking zal staan voor het vlammend oog van dien God, die hem

Sluiten