Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij waarlijk zien en hooren, en dat deze God ons waarlijk tot een zon en licht is. Reeds de taal toont in honderde van uitdrukkingen deze samenhang der beide werelden te kennen, ja, zij ontleent al haar geestelijke uitdrukkingen aan de stoffelijke wereld. Dat zijn niet, zooals de gewone opvatting het wil, eenvoudig beelden.

„2?n God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag."

Wat waren dat voor dagen, toen nog geen zon de aarde bescheen? Wij weten het niet, en het is mensclielijk onverstand en vooringenomenheid, dadelijk vast te stellen: „dat waren dagen als de onze". Dot staat er niet. Dat is niet blijven bij het woord der Schrift, maar haar geweld aandoen terwille van vooropgezette meeningen. Want God spreekt zelf in vs. 5 uitdrukkelijk uit, dat Hij hier onder „dag" en „nacht tijdperken verstaat van licht en duisternis, over wier duur Hij ons niets mededeelt, evenmin als over datgene wat vóór de toebereiding der zon een afwisseling van licht en duisternis te voorschijn riep.

Het bijbelsche „jöm" (dag) dat naklinkt in het grieksche „aeon" tijdperk, is geheel in overeenstemming met bovenstaand vers, een dikwerf groote tijdseenheid van licht en van arbeid. Zoo vat de Heilige Geest aan het einde van het scheppingsverhaal Gods arbeid als één dag „samen": ten dage als de Heere God de aarde en den hemel maakte (Gen. 2 : 4). Maar ook

Sluiten