Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot waterstof, dat horizontaal wegvliegt en alles bedekt. Daar door heen klinkt onophoudelijk het eentonige, oorverscheurende, alles overstemmende, gillende fluiten der woedende luchtmassa's, een krijschen als van tienduizend wilde dieren, een gillend schreeuwen als van al de booze geesten der lucht, nu op eenmaal losgelaten. En willoos, zonder zeil, niet meer luisterend naar het roer, jaagt het schip, als een ten doode vervolgd dier, door vlokken van schuim verder, de manschap is gebonden aan de masten, alle menschelijke kunst is te vergeefs; dit alles duurt dagen, nachten lang, „tot de zee het verzwolgen heeft" of — heeft zijn ure nog niet geslagen — tot eindelijk ook deze elementen uitgewoed hebben en aan den doodmoede een korte pooze van ontspanning geschonken wordt.

Wij kennen allen de stem van den wind, een stem en muziek, eentonig en toch vol verscheidenheid, zacht en krachtig tegelijk, nu eens liefelijk suizend, dan schrikwekkend fluitend, brullend, dreigend, een groote harmonie, die nooit vermoeit, uit enkele accoorden bestaande. Als een oud geliefd lied van huis klinkt hij den ouden zeeman in de ooren, die zich ter ruste heeft gelegd in het kleine huisje op de klip — van de verre zeeën toch komt hij, die hij eens heelt bevaren, hij vertelt hem van lauwe, tropische luchten en van stormen, doorstaan met dicht gereefde zeilen in nachtelijk donker. Hij is hem de liefelijkste muziek. Als echter deze wind fluit en huilt en toornig brult, dan meent men er schrille oorlogskreten en een klagend jammeren en steunen, van gewonden en sterven-

Sluiten