Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeuwige bezitting, gelijk Ik het uwen Vaderen gezworen heb. Dan klimt de vreugde der eeuwigheid op in het hart en de verloste kan als Noach na den zondvloed op den Ararat dankoffers brengen van zeven reine dieren.

„Uwe gerechtigheid is als de bergen Gods, uwe oordeelen zijn een groote afgrond." (Ps. 36 : 7.) Ware, eeuwige hoogte is de hemel; ware, eeuwige diepte is de hel. In beide moet de mensch ingaan. Er is een hel in deze bedeeling van schuldgevoel en zelfvernietiging, waarin God met verpletterend gewicht den mensch de absolute nietigheid en onmacht, ja de verwerpelijkheid en de schrikkelijkheid van zijn gansche zijn en doen voorhoudt en hem de wereld, die hij zoo liefheeft, door een goddelijke lichtstraal plotseling verlicht, toont als een hoop opvaagsel, terwijl het hem is, alsof de hand, die hem boven den afgrond houdt, zich opent en hem laat vallen. In deze hel leidt God in, maar Hij voert er ook weer uit, en wie in deze hel reeds hier beneden gevoerd wordt, komt hiernamaals niet in de eeuwige, waarin God wel nederwerpt, maar niet meer uitredt.

Deze zielestrijd, dit gaan in de diepte en in de hoogte, is een groot, een schrikkelijk, een kostelijk ding, waarvoor de natuurlijke mensch terugschrikt, maar dien de Christen, die hem doormaakt, voor alle goud, en eer en genot dezer wereld niet zou willen missen. Zalig de mensch, dien God in de hel voert om hem er weer uit te leiden. —

Maar er zijn ook Christenen, wien de berg en de

Sluiten