Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI.

De Planten.

En God zeide: „Dat de aarde uitschiette grasscheutjes, kruid, zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op aarde!" En het was alzoo. En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid, zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was naar zijn aard. En God zag dat het goed was. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag. (Gen. 1 : 11—13.)

De vormlooze aarde had vorm en gedaante ontvangen. Uit de zee was het drooge te voorschijn gekomen, en God had het land genoemd, en het water zee. Zouden wij het ook niet zoo hebben kunnen noemen? Neen! Door het Woord, door den Logos zijn alle dingen geschapen en tegelijk met dit scheppen en uitspreken is ook de eeuwige naam van ieder ding in de hemelsche taal gegeven, een lichtstralende hieroglyphe, waarin de geesten lezen en studeeren, wat God door dit ding, door dit geschapene zeggen wil en gezegd heeft.

De vastelanden, deze in den beginne zacht glooiende heuvels en bergen liet God niet lang kaal en ledig. Op den dag waarop Hij ze schiep bekleedde Hij ze met leven en schoonheid.

En God sprak: „Weer rolden door de wereld-

Sluiten