Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan later „boomen, die hun vrucht dragen." Deze sigillariën en calamiten droegen nog geen blad, zij ademden nog door de huid. Ook de varens, al zijn ze nog zoo sierlijk, zeggen toch altijd met stam, tak, waaier en blaadje hetzelfde, zij hebben het nog niet gebracht tot de vrijheid der vertakking en van het individueel gevormd blad, zooals wij die kennen bij bij onze boomen met hun loof. Hier, zooals op zoovele andere plaatsen, hebben wij zeer zeker te doen met evolutie. God heeft niet in der haast een oneindig aantal van de tegenwoordige schepselen kant en klaar gemaakt en ze daarna aan hun lot o\ergelaten, maar deze groote Schepper, die Geest is, in Wien dus tegelijk aanwezig is absolute wet en volkomen vrijheid, spreekt machtige wetten uit, doorstroomt de stof met Zijn levensadem, opdat zij eigens deze wetten zich zou kunnen ontwikkelen, en dus vatbaar worden voor evolutie en ziet dan in zeker opzicht bedaard deze ontwikkeling aan. Daarom staat er ook bij deze schepping der planten niet: En God schiep gras en kruid en boom; maar: de aarde brenge voort! God draagt hier dus, aan een ons onbekende, door Hem te voorschijn geroepen kracht der aarde, een bepaalde taak op. Zoo voelt men reeds vooruit in deze eerste planten en organismen de groote tegenstelling tusschen vrijheid en goddelijke fataliteit, die het heelal vervult, de klove tusscnen schepping en Schepper, het raadsel van het aardsche bestaan, den toorn en de vertwijfeling van Satan. Maar God houdt de teugels in de hand.

Sluiten