Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

past bij de berglijn van Italië en haar architectuur, evenzoo goed als de hooge grassen bij de steppen en de zeeroos bij de stille wateren.

Karakteristiek zijn de donker ernstige coniferen, de pijnboomen, deze bewoners der koude streken. Taai en kruidig is hun sap, somber en stekelig hun loof, hun vrucht hard en met schubben gepantserd; zij groepeeren zich volgens rechte lijnen en scherpe hoeken, zij trotseeren den winter en bloeien onder de sneeuw.

Zoo ook in de mossteppen van Noord-Siberië. Daar wonen de Tongoezen, de Ost-iaken, de Ivamtsjadalen, „de ijzeren mannen" zooals de onderzoeker van Siberië, Pallas, ze noemt, die welgemoed bij dertig tot veertig graden vorst nachten lang redeneeren, of bij het poollicht onbewegelijk in de sneeuw voor den wolf op de loer liggen, die hun rendieren bedreigt. Kennan bewondert hunne zielegrootheid en gelatenheid onder levensomstandigheden, die ons onverdragelijk zouden toeschijnen en werd eens door hun gezang tot tranen toe geroerd. „De zoetste en tegelijkertijd klagendste toon" zegt hij „die ik ooit hoorde, zij doet denken aan de klacht eener verloren ziel om genade en maakt een onbeschrijfelijken indruk. „Honderd mijlen in de rondte" schrijft hij van hun land, „ligt op den altijd bevroren grond een diep, dicht dek van mos, doortrokken met water, slechts hier en daar begroeid met armzalige boschbesstruiken en Labradorkruiden of afgewisseld door plaatsen waar het IJslandsche mos groeit, dat het

Sluiten