Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbrand, op de boomlooze hellingen van de Cordillera's, op de volkomen regenlooze hoogvlakten van Peru saprijke cactusachtige gewassen, b.v. de dikwijls m ansdikke en huishooge fakkelcactus, wier waterrijke vruchten de Indiaan met pijlen naar beneden schiet. Zouden wij ooit hebben gedacht, dat in de poolstreken, op Spitsbergen en Nova-Zembla, waar in een maandenlangen nacht het kwikzilver smeedbaar blijft, het ijs ■n ordt tot staal, het staal echter breekbaar als glas, nog teere planten, vriendelijke bloemen groeien konden? \\ at moet er, terwijl zij maandenlang door en door hard bevroren blijven, van de kleine zieltjes worden, waar moet zich het leven en zijn warmte verbergen? Ln toch, wanneer de bleeke zon maar weer verschijnt, groeien schuchter in beschutte rotsspleten, vriendelijk mos, teere planten, groene steenbreken, en bloeien, terwijl zij van de gesmolten sneeuw drinken, wonderschoon. Men vindt er de pool-slaapbol en de noordelijke kamparnile, de kleine poolwilg, een hand hoog met een stam, die nauwelijks een vinger dik is. Wie heeft aan de polen der aarde, deze soorten, die nergens elders voorkomen, geplant?

Waartoe dient de plant? Waartoe heeft God haar geschapen? Op deze vraag antwoordt een natuuronderzoeker, doortrokken van den geest deimoderne wereldbeschouwing: „het doel van het plantenleven is, zich voeden, groeien en zich voort-

Sluiten