Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII.

Zon, maan en sterren.

(Gen. 1 : 14—19).

En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels om scheiding te maken tusschen den dag en tubssclien den nacht, en dat zij zijn tot teekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren! En dat zij zijn tot lichten in het 'uitspansel des hemels om licht te geven op de aarde! En het was alzoo. God dan maakte die twee groote lichten; dat groote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren. En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde, en om te heersclien op den dag en in den nacht en om scheiding te maken tusschen het licht en tusschen de duisternis. En God zag, dat het goed tvas. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vierde dag. (Gen. 1 : 14—19).

Hoe is het mogelijk! heeft reeds menigeen uitgeroepen, de zon pas geschapen op den vierden dag en eerst nadat het plantenrijk er reeds was. Stel u gerust ; Mozes, onderwezen in alle wijsheid der Egypte•naren, wist wat hij schreef. Volgens de theorie van Kant en Laplace heeft het zonnestelsel zich gevormd door samentrekking en ronding uit een oer-nevel, waarbij later uit de centraal-lichamen, die nog in

Sluiten