Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vloeibaren gasvormigen toestand waren, zich tengevolge van de middelpuntvliedende kracht achtereenvolgens ringen afscheidden. Deze spatten uiteen en daaruit ontstonden planeten. Bij deze planeten herhaalde zich de ringvorming, waarvan wij bij Saturnus een prachtig voorbeeld hebben. Uit deze ringen ontstonden manen (zoodat vele sterrekundigen aannemen, dat wij ieder oogenblik het uiteenspatten van de vloeibare of gasvormige ringen van Saturnus tegemoet kunnen zien).

Volgens deze theorie, die buiten quaestie het ontstaan van het zonnestelsel 't beste verklaart, zouden de buitenste ringen zich eerst tot sfeeren vormen en zoo verder naar het middelpuut toe. Zoo zou de aarde ontstaan zijn „vóór Venus en Mercurius en wat ons nu vooral belang inboezemt," vóór de zon, die nog een vervloeiende massa vormde. Eerst lang na de vorming der aarde trad, volgens Moldenhauer, de zon uit den wereldnevel te voorschijn, als een kleine, scherp begrensde schijf in verblindend licht. Dit komt juist overeen met het bijbelsch bericht: op den vierden dag bereidde God de zon toe (asah: in orde maken; niet: bara: schiep) en plaatste haar als een licht aan het hemelgewelf. „Hoe juist!" roept hier Prof. Quenstedt uit, „want de kleine aarde moest zich lang afgegrond hebben vóór de groote zon."

Van den vierden dag af ontstonden er op de aarde korte, aardsche dagen en nachten, waarvan duizende en nog eens duizende tot een lichtperiode, tot één scheppingsdag en derhalve ook tot één scheppingsnacht

Sluiten