Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kunsfc maar al te goed verstaat uit iedere bloem alsem te garen, en wat hem vervullen moest met luid uitjubelende vreugde, te misbruiken als oorzaak van bittere klacht, vraagt hij twijfelend en mismoedig: „Wat ben ik tegenover deze ontzaggelijke scheppingen ? Niet eens een zandkorrel, mijn leven nog geen secunde in deze eeuwigheden, mijn gansche bestaan geheel en al zonder beteekenis. Hoe zou ik kunnen gelooven, dat de God, die tal van zulke werelden schept en regeert, zich om mij zou bekommeren, ieder haar op mijn hoofd zou tellen, ja, mij zou liefhebben met zulk een liefde, dat Hij Zijn eenig geboren Zoon voor mij in den dood gegeven heeft, om mij te maken tot Zijn kind en erfgenaam?" Zou dan een Christen, die verneemt, dat duizende heidenen bekeerd zijn, bekommerd uitroepen: „Ach, nu ben ik niet meer alleen Gods geliefd kind! ?" Zoo spreekt alleen hij, die het niet gaarne hoort, dat God in Zijn liefde vele andere wezens geschapen heeft en ook hen lief heeft. Dat is geen goddelijke, neen een menschelijke, echt dwaze gedachte. Zouden wij scheel zien van nijd, omdat onze God zoo goed is, en zulke heerlijke scheppingen, zeker tot vreugde van tallooze geesten, te voorschijn riep? Dat zulk een gezindheid verre van ons zij, zij heeft gewoond in Satans hart, toen God den mensch schiep. Hoe grooter de hemel der hemelen, des te grooter de zaligheid; hoe meer gezaligden, des te vuriger de liefde; hoe rijker de schepping, des te luider weerklinkt eenmaal het lied op de gouden harpen; hoe meer schepselen den

Sluiten