Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook hierin ligt de zegen van deze kosmische Avereldbeschouwing, dat zij ons klein maakt. Zij toont ons; zooals wij zooeven gezien hebben, onze kleinheid in de wereldruimte. Maar ook in den tijd. Indien wij ons een oogenblik verheffen, nog niet eens tot de tijdsbeschouwing van een onsterfelijken engel in het eeuwige leven, maar tot die van den sterrekundige, wat beteekenen dan de zes duizend jaren, die de menschheid op de aarde heeft doorleefd.' Deze zestig eeuwen, hoe gewichtig en vol beteekems wij ze ook mogen vinden, zouden er op Saturnus slechts twee zijn; voor Neptunus golden zij niet eens twintig van zijn jaren. Zij vormen slechts '/sooo van een der jaren van onze zon en vele van de dubbelzonnen , voor het bloote oog tot een lichtpunt versmolten, zijn in dien tijd nog niet eenmaal om elkander gewenteld. De groote wijzers echter op het uurwerk des hemels, die in zwijgende majesteit en met absolute nauwkeurigheid den gang der aeonen aanwijzen, deze sterrenbeelden en lichthieroglyphen van Gods hand, zijn sinds dien tijd nog geen secunde vooruit gegaan. Wat beteekent dan het le\ en van deze vliegen van één dag, die zich menschen noemen en die deze kleine aarde bewonen? Ja, wat is zelfs het leven der gansche menschheid? Niet sinds zes duizend jaar, neen nauwelijks een eeuw zijn deze 1500 millioen menschen er, die nu de menschheid vormen, in 't jaar 1800 toch waren zij nog met geschapen, in 'tjaar 2000 zullen allen verdwenen zijn van de aarde, overgeplant in de school, in de

Sluiten