Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De sterrenkunde zegt ons, dat eenmaal, toen de morgensterren zongen bij de geboorte van haie zuster, ook de aarde een lichtwereld was, een zon, helder schijnend in de ruimte. Wij meenen te mogen aannemen, dat zij toen de zetel was van zalige, nog niet gevallen engelen. Zij heeft daarvan een, zij het ook zwakke naglans behouden. Brengen de machtige zonnestormen op een afstand van 150 millioen kilometer de magenetische krachten, die deze aarde doorstroomen in beweging, zoodat zelfs in de diepe kloof de magneetnaald als buiten zichzelf siddert en trilt, de aarde antwoordt daarop. Zij giet aan hare polen uit als een lichtende herinnering aan voorbij gegane glans en heerlijkheid, zachte stille stroomen van licht, de schoone noorderlichten, die God als vergoeding voor het zonlicht, zoolang ontbeerd, geschonken heeft aan de arme stammen, die door machtiger volken in deze ijzige woestenijen teruggedreven zijn.

Van dit noorderlicht, zoo wonderschoon, maar ons bewoners der gematigde luchtstreek bijna onbekend vertelt op aanschouwelijke manier, E. Kennan, een kenner van Siberië. Hij schrijft: loen wij nog in Anadyrsk vertoefden, vonden wij gelegenheid een der grootsche openbaringen van het ÏNoordeilicht te aanschouwen, welks glans zelfs de inboorlingen in verrukking bracht. Het was een koude, donkere, maar heldere winternacht en in de vroege avonduren was niets te bespeuren van wat ons te wachten stond. Enkele lichtstralen flitsten wel in 't Noorden op, en aan den horizont vertoonde zich een mat schijnsel als

Sluiten