Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is ons duister, en de gemeenschappelijke grond van de tallooze verschijnselen en vormen kennen wij niet. De eenvoudigste vragen der schepping zijn het moeielijkst op te lossen.

„Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen." Hebben wij bewijzen ervoor, dat het alzoo is geschied? Ja! Hoog boven de lagen van het voorgaande tijdvak, die de steenkool bevatten, liggen die die der Trias: van de bonte zandsteen en de schelpkalk, dan die van de z.g. Jura, die men in een zwarte Jura of „Lias" een „bruine" en een „witte" verdeelt. Zij zijn de slijkige of zandige bodem van de voormalige Jurazeeën, door druk hard geworden, door latere omkeeringen tot berggevaarten opgeheven, verschoven, gebogen en versplinterd. Daar wemelt het van zeedieren van allerlei soort, en dikwijls vindt men op een leiplaat van een paar vierkante meters vijftig of meer zulke dieren of ook honderde versteende schelpdieren, ja, dikwijls bestaan deze platen gelijk b.v. in de koraalkalk van Nattheim enkel en alleen uit dicht op elkander gedrongen madreporen, schelpen en krinoiden.

Niet alsof toen de zee weer de geheele aarde zou hebben bedekt; het droge was verschenen en bleef. Daarop groeiden weer andere planten, boomen, bosschen, bestaande over 't algemeen uit iets meer ontwikkelde gewassen dan vroeger; maar Mozes spreekt er niet van omdat hij ook hier direct op de hoofdzaak aanstuurt en in zijn kort bericht alleen deze vermelden wil, zooals Prof. Fraas van de Jura zegt: „Het zwaartepunt der geschiedenis ligt hier in

Sluiten