Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IX.

De Mensch.

En God zeide: Laat, ons menschen maken, naar ons beeld, naar onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de visschen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de geheele aarde, en over al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt. En God schiep den mensch naar Zijn beeld, naar het beeld van God schiep Hij hen; man en vrouw schiep Hij ze. (Gen. 1 : 26, 27). En de Heere God had den mensch geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzoo iverd de mensch tot een levende ziel." (Gen. 2 : 7).

Zoo betrad dan de mensch de aarde eerst nadat ontzachelijke wordingsprocessen dit rijk voor den heerscher bereid en God zelf hem een bijzondere residentie geschapen had, den hof Eden, een burcht der zaligheid. Uit haar moest evenals eenmaal uit het nieuwe Jeruzalem op de nieuwe aarde de wet uitgaan en het woord van Jchovah, de kennis van den levenden God en de krachten der toekomende wereld. Hoelang hij daarin bleef weten wij niet, omdat de bijbel ons daarover niets meedeelt. Zou Böhme gelijk hebben, die uit de bijbelsche symboliek

Sluiten