Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen erkennen zonder omwegen, dat ons ehemischphysikaliscli weten niet toereikend is om ook maaide eenvoudigste psychische bewegingen te verklaren." (De Mensch I pag. 510).

Dat aan het hoofd de taak is toebedeeld, met de wereld in rapport te treden, haar te leeren kennen en beoordeelen, een deel ervan zich toe te eigenen en een ander deel te verwerpen, bewijzen de zintuigen, deze poorten, waardoor de ziel naar buiten ziet en hoort, en de stof ruikt en smaakt en voelt. Hoe zinrijk en teeder en kunstvol zijn de zintuigen: de zenuwkogel van het oog, die zich, evenals een deel der hersenen, als een bloem vergroot door het licht; het oor, een harp met drieduizend snaren, de reuk-, smaaken gevoelszenuwen, door de huid doelmatig beschut tegen al te groote pijnlijke aanrakingen. Hoe trouw en gehoorzaam brengen zij hunne waarnemingen over naar de hersenen, waar de ziel woont. Zij hoort ze op haar beurt aan en zendt op hun bericht aan het geheele lichaam, aan de spieren haar bevelen langs zuiver telegrapischen weg, door electrische stroomen! Maar hoe geheimzinnig! Hoe kan de ziel, hoe kan een geest door het oog zien, door het oor hooren ? Het oog toch dat op de snijtafel ligt ziet niets! Hoe kan de geest zich van de stof bedienen om de wereld waar te nemen en waarom doet hij zulks? Heeft hij niet in zichzelf de krachten om te zien, om te hooren, om te gevoelen ? Hier staan wij aan de grenzen van onze kennis. Daarom is het zoo dwaas te willen uitmaken, dat deze ziel, wanneer zij van het lichaam gescheiden is, deze wereld

Sluiten