Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in plaats van er zich door te laten afronden als een kiezelsteen, die er precies eender uitziet als duizend anderen? Wat is aan Tnijn ziel betrekkelijk, vergankelijk, aardsch; wat is absoluut en eeuwig? Hoe kan deze ziel krank worden, hoe, zij die een oereenheid vormde, met zichzelf oneens worden. Hoe groot is zij? Waar is haar onstoffelijk middelpunt? Want zij moet toch een middelpunt hebben, van waar uit haar krachten uitstralen, waaromheen zij zich legert in concentrische kringen. Wij voelen het immers, dat er zooveel is dat haar slechts aan haar uiterste omtrek beroert, terwijl andere dingen haar doodelijk of levenwekkend aangrijpen tot in het middelpunt, tot in het hart. Zijn er verschillende categoriën en soorten van zielen, groote en kleinere? en hoe openbaart zich het gemis aan grootheid? Waren onze zielen reeds in kiem in Adams ziel begrepen of schept God dagelijks duizende nieuwe en zal Hij in de eeuwigheid der eeuwigheden nieuwe scheppen, van denzelfden, of soortgelijken of geheel verschillenden aard?

Zoolang wij de wisselwerkingen van stof en geest niet kennen, het gebied van lichaam en ziel niet scherp kunnen begrenzen, en wij wanneer de waanzin nadert, verschrokken en vertwijfeld staren in afgronden van donkerheid, kennen wij onszelf slecht. Zoolang wij niet allereerst de algemeene mathematische formule der ziel vinden, dan de bijzondere en bepaalde volgens welke ik juist ik ben, en geen ander, zoolang wij niet daaruit de wetten van het individueele lief-

Sluiten