Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij, Gode zij dank, nog eenigszins zien aan de gevallen wereld zooals zij thans is. De wereld die ons omgeeft is nog heerlijk en groot, zij schenkt ons veel voedsel voor het verstand en veel natuurgenot. En overal vinden wij dat zij doorstroomd wordt van wondere wetten, dat door haar gaat één groote, machtige levensstroom, de adem van den eenen, levenden God! Wie telt de tallooze harmoniën en overeenkomsten, de teere, gouden draden, die voor de meesten onzichtbaar de gezamenlijke wezens en deelen der schepping verbinden, omvatten, aantrekken en leiden. Merk op het ademen van blad en long; let op het hoofd en de vrucht, den omloop van het water om de aarde en van het bloed in dier en mensch; het tinten van het loof in den herfst en het verzilveren van het haar; de vervelling bij plataan en slang; zie vleugels en vinnen, den stam, en den vader en de nakomelingen, de bloem en het jonge meisje, de vruchten en de werken, het zaad en het woord, de kapel op de bloem en het vischje in den helderen stroom!

Hierbij komt een gestadige vooruitgang. Overal en altoos bevat het kleine het groote reeds in kiem; zoo ligt b.v. in de rondedans der atomen in den waterdruppel reeds het draaien der zonnen in het sterrenbeeld. Zoo vormt iedere dag een beeld van het jaar en een leven in 't klein, 's Morgens worden wij geboren voor de vroolijke lente, 's middags in den warmen zomer werken en oogsten wij, iedere avond brengt den rusttijd en ieder inslapen is een sterven in 't klein.

Sluiten