Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het kruid des velds eten." (Gen. 3.) Ook hier wederom het diep ingrijpend verschil tusschen paradijs en aarde.

Efen hof Eden en een akker; deze twee woorden teekenen een duidelijk beeld, zij toonen aan het groote verschil, dat ook uit de tegenstelling spreekt: Van alle vruchten in den hof zult gij eten; en: Gij zult het kruid des velds eten zooals het van den akker heet. Nu wordt de akker vervloekt. Hij was een akker, niet een door God geplante hof; hij was zooals wij uit den vloek zien, een goede akker, dragend honderdvoudige vrucht, maar nu, door den vloek doortrokken, heeft hij voortdurende neiging, ondanks alle cultuur, doornen en distelen en onkruid voort te brengen.

Kon de akker helpen, dat de mensch viel? Wij weten het niet; maar wij zien in het woord Gods een onverbrekelijke eenheid tusschen al wat is. Wij zien, dat alles is voor éen, en één voor alles en het zou kunnen zijn, dat dit nog in gansch andere uitbreiding dan wij vermoeden, het geval is. De ster, die ik aanschouw, zendt mij licht en warmte, fonkelt nu eens rood, dan weer groen, zij geeft mij gedachten, ideeën, vermoedens; misschien schenk ik haar op mijn beurt door mijn aanschouwing ook iets. Misschien heb ik niet geheel en al te vergeefs eens een wilden vijgeboom, mens vruchten mij, terwijl ik versmachtte, verkwikten, dankbaar gestreeld en een verdwaald beekje, dat zich doodliep in het moeras, een weg geopend van den berg naar beneden, waarvoor het mij heeft gedankt door vroolijk murmelen; en een

Sluiten