Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

juichen," (Jes. 35 : 1 en 2) „in dien dag, waarin God de wonde Zijns volks heelen zal!"

„De akker is de wereld," spreekt Christus en Hij legt in een machtig woord een nog dieperen zin; ons geslacht erkent onbewust deze waarheid en geeft aan allen arbeid aan de menschlieid den naam van „cultuur". Maar helaas! ook deze akker moogt gij bebouwen in 't zweet uws aanscliijns, gij moogt trachten hem te cultiveeren door kunst en letterkunde, door de dagbladpers en door conferenties en voordrachten op congressen, en door vereenigingen, opdat hij u een beteren oogst geven zou; hij zal meestal ook slechts doornen en distelen voortbrengen. Hoe ijverig ploegen en wieden, graven en bouwen niet staatslieden en juristen, geleerden en professoren, schrijvers en journalisten, kunstenaars en tooneelsterren, paedagogen en theologen, predikanten en onderwijzers! Hoe gaarne zouden wij allen eenieder voor zijn deel medewerken aan zijn cultuur; en hoe moeten wij het niet ondervinden, dat dit arbeidsveld in 't algemeen onkruid, zure wilde pruimen, wormstekige appels, en wilde peren voortbrengt.

Schoon, krachtig werkt Christus in Zijn gelijkenissen van den zaaier, van het onkruid onder de tarwe, het beeld, neen de waarheid uit: de wereld is de akker, door God om 's menschen wil vervloekt. Dat woord is hard, maar het staat nu eenmaal zoo geschreven. Met kommer, met moeite moeten wij ons van dezen akker voeden, wij zijn op dezen wonderbaren akker tegelijk zaad, plant en zaaier.

Sluiten