Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

droomt hij van het verloren paradijs en noemt „paradijsachtig" en „hemelsch" wat zijn ziel slechts een weinig verkwikt. Hoe gaat hij met al zijn verlangen er naar uit. Hoe waar is het, dat ons de vrucht van den boom des levens verboden is.

Tegen het Oosten. Onafgebroken wendt zich de aarde naar het Oosten, naar de opgaande zon en verwacht van haar het dagelijksche lichten — helaas te vergeefs! de eindelijke verlossing. Het is een schoone gedachte, dat van oudsher de volkeren hun dooden begroeven met het aangezicht naar het Oosten. De menscheid, verzinkend in den nacht des doods, hoopt altijd op de opgaande zon der opstanding, een machtig voorgevoelen van de waarheid, door geen spot van het ongeloof ooit uit te roeien. Maar voor de poort van het paradijs flikkert nog altijd het vlammende zwaard. A\ at nood! Wanneer na de omzwerving op aarde, door God den Heerevervloekt, mijn moede ziel weer voor deze oostelijke poort van het paradijs staat en bidt om toegang, dan zal wel is waar het zwaard van den cherub lichaam en ziel scheiden, en het zondige lichaam doen vallen en prijsgeven aan het verderf, maar mijne ziel, rein gewasschen in het bloed van Christus, zal zonder vreeze tusschen de engelen, die de wacht houden, doorgaan en het paradijs binnentreden. Daar zal zij allerlei boomen vinden „een lust voor de oogen en goed tot spijze" en van den boom des levens in het midden van den hof reikt Christus zelf mij de nog nooit gesmaakte vrucht. „Die overwint ik zal hem

27

Sluiten