Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wet, tusschen den vergankelijken vorm en liet eeuwige wezen, tusschen het bijkomstige en het wezenlijke, worden en zijn, het betrekkelijke en het absolute. Hoe zoudt gij dat alles zonder de schepping kunnen onderkennen ?

Deze schepping, verlamd en halfdood door de krachten der duisternis, deze onvrije, versteende stof deze plompe, zware stoffelijkheid is ons gevallen, zieke, onmachtige wezens verder gegeven, als een woest, om zoo te zeggen neutraal gebied, waarheen wij vluchten kunnen voor den ontzaglijken strijd tusschen de hemelsche en helsche machten, die ons anders als stoppelen verteren zou. Onze kranke, zoo zwakke ziel heeft behoefte aan een beschuttend omhulsel, al ware het slechts een lee men hut, om haar te beschutten voor het lekken der helsche vlammen. De halfblinde oogen hebben dringend een bedeksel noodig opdat zij niet verblind zouden worden door den glans van het eeuwige licht, door den aanblik der stralende, hoogere wezens, opdat zij niet doodelijk verschrikt zouden Avorden door de vreeselijke gestalte der onder-wereld. Het half doove oor kan niet buiten een beschutting om niet verdoofd te worden door den donder van de harmonie der sfeeren, door het gezang der hemelsche koren en het gekrijscli der duivelsche heirscharen. Zij heeft behoefte aan hersenen, die langzaam werken en slechts met moeite het eene na het andere in zich opnemen om niet tot waanzin te vervallen door de volheid der gedachten en de machtige overzichten. Onze kleine, kleinzielige persoonlijkheid, die als een

Sluiten