Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons zouden heerschen." Ja, zij spreken, zooals wij in liet tweede hoofdstuk gezien hebben, „wij willen liever den Satan dienen, dan den God des bijbels!"

En zij dienen hem. Evenals Satan den God van het „ja" het eerste „neen" in 't aangezicht slingerde, is deze, zijne wereld, waarvan hij de God is, in haar gansclie doen en drijven en trachten, in haar genot en in haar zonde, in haar wijsheid en in al haar streven één groote, voortdurende ontkenning Gods, zij is er steeds op uit zichzelf, den mensch en zijn heerlijkheid in Gods plaats te zetten. „Wanneer deze God," zegt A. Stosch, „op de stemmen der menschenkinderen, zooals deze ononophoudelijk tot Hem oprijzen, acht geeft, dan hoort Hij uit die allen een „neen" millioene malen herhaald, een „neen" dat geweldig doorklinkt, maar toch onmachtig is. Neen! zoo roepen zij Hem toe, Gij hebt ons niet geschapen! Neen! wij zijn geen zondaren! Neen! Gij hebt ons uw woord niet gegeven, en het niet geïnspireerd! Neen! Gij kunt geen wonderen doen; Gij kunt de natuurwetten geen bevelen geven! Neen! onze wonde is geen gevolg van onze zonde! Neen! Gij zult ons niet oordeelen; in den dood ontglippen wij U.

Dit neen, dat het schepsel trotschelijk den Schepper toeroept, is de schuld, die de menschheid verplettert en haar eens zal doen verzinken in de hel. ant om haar van haar andere schuld te verlossen, om haar zonde, die rood is als scharlaken, wit te wasschen als sneeuw, besloot de Eeniggeborene Gods, de heerlijkheid, die Hij had bij den Vader, eer de

Sluiten