Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

u in 't graf en spreken misschien nog van u van liet graf tot aan de poort van het kerkhof; maar reeds daar sleept de stroom van het alledaagsche leven hen mede, zij deelen nog uw have en goed, misschien een enkel aandenken aan u uit, en dan hoort gij niet meer tot hunne wereld, gij zijt voor hen alleen nog een herinnering, misschien een vriendelijke. En stelt u voor dat gij b.v. na een maand weer terugkwaamt, wat een verwarring zou dat geven! „Reus! lieve reus!" zoo smeekt in een Nieuw-Grieksch volkslied een bleek meisje den bewaarder der onderwereld, „laat mij toch weer opstijgen! mijn broeders beweenen mij en mijn moeder treurt zich dood." En de drie reuzen antwoorden: „Blijf maar waar gij zijt, mijn kind, blijf maar! Uw broeders zitten in de herberg en uw moeder staat te babbelen aan de bron." Maar gij, op wiens graf misschien het opschrift in gulden letters prijkt, „Rust zacht!" gij wandelt rusteloos, wanneer de engelen uwe ziel niet dragen in Abrahams schoot, op den afhellenden weg der schaduwen des doods. Hoe zal 't u zijn, wanneer daar uit de duisternis, die u omringt — want het zonnelicht is uitgebluscht en eigen licht hebt gij niet — hoe zal 't u zijn, wanneer geheimzinnige schaduwen opstijgen en terwijl zij op u wijzen, dreigend fluisteren: deze heeft zich hierboven aan ons bezondigd. Deze heeft ons op aarde bedrogen met aardsche en geestelijke goederen; zijn spot, zijn handel en wandel, zijn woord, zijn voorbeeld heeft ons de hoop ontnomen, heeft ons beroofd van God en het geloof. Het is zijn schuld,

Sluiten