Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te staan. Zoo belooft Hij ons: „Zie ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde en aan de vorige dingen zal niet meer gedacht worden en zij zullen in het hart niet opkomen." (Jes. 65 : 17.) En Hij vermaant ons: „Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanige behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid, verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods." (2 Petr. 3 : 11).

Ja, haastende! Ons verlangen, ons bidden, ons smeeken, onze tranen, ons geloof, onze hoop verhaasten het aanbreken van dien dag. „Alle begeeren trekt aan." Wij Christenen vervullen dag aan dag het mysterie der godzaligheid, en de goddeloozen dat der zonde, en zijn spot, zijn lastering, zijn vervloeking verhaasten den dag des oordeels. „Wij zijn medearbeiders Gods" en hij is medearbeider van den Ccod dezer wereld. En ook het zuchten der gansche schepping werkt machtig daartoe mede, dat de dagen der beproeving verkort worden. (Mattli. 24 : 22).

Zullen wij hier nader beschrijven het zuchten van alle volken, sinds vele duizende jaren naar den hemel, naar een wereld, waar gerechtigheid woont! Dat is niet noodig; gij kent het immers, gij gevoelt

het in uzelf.

„Er is", zegt J. Böhme, „in den mensch een begeerte, een machtig verlangen naar een hooger, beter, eeuwig leven, waarin zulk lijden niet meer gevonden wordt. Het verstand begrijpt dat verlangen niet, en toch ligt in het verstand iets, dat smaakt en erkent, waaruit dat verlangen ontstaat; hieruit

Sluiten