Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en godslasteraars werden als een pest in de maatschappij, met dikwijls gruwelijke straffen getuchtigd. Sinds honderd jaren is dat anders geworden, de onbeschaamde godloochenaars en godslasteraars bekleeden een eereplaats in onze kringen, in onze wetenschap, in onze kunst en litteratuur. Het grove materialisme van een Moleschott, een Büchner, een Haeckel e. a.; de wijsbegeerte van een Schopenhauer, Hartmann, Nietzsche, de wetenschap van vele Darwinisten, de wereldbeschouwing van het socialisme, het Nieuw-Boedhisme van de zoogenoemde theosophen, stemmen alle daarin met elkander overeen: God heeft de wereld niet geschapen; daar is geen almachtige God, schepper des hemels en der aarde! Velen van hen zijn er zich zeker niet van bewust, dat zij daarmeê gezonken zijn tot op den diepsten bodem van den val. Want is er dieper val denkbaar, dan den Schepper uit te werpen uit Zijn eigen schepping? Staat er niet geschreven: Ook de duivelen gelooven dat God, een eenig God is en zij sidderen? God roept deze menschheid, die Hem toebehoort maar zich meer en meer van Hem afkeert, bijna weemoedig toe: „Ben Ik dan een Vader, waar is mijne eere? Ben Ik een Heer, waar is mijne vreeze?" (Mal. 1:6). Als laatste poging om zijn kinderen, die zich hoe langer hoe verder van Hem verwijderen, terug te roepen, ziet de profeet der laatste dingen een engel door den hemel vliegen, die „het eeuwige Evangelie heeft." Hij moest het verkondigen aan hen, die op de aarde wonen, aan alle natie en geslacht, taal en volk, terwijl hij met

Sluiten