Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bovendien, onze Vereeniging is eene organisatie niet van staathuishoudkundigen, maar van werkgevers, die als zoodanig het best juist de pradische zijde van vraagstukken als dit zullen kunnen beoordeelen. Wat wij gewild hebben is de Regeering, die het niet noodig achtte over dit ontwerp het oordeel van deskundigen (practici) in te winnen, te doen hooren wat dezen over de onderhavige zaak denken. Beschouwingen over het beginsel van wettelijke arbeidsbeperking voor volwassen mannelijke arbeiders zijn reeds door kamerleden in het Voorloopig Verslag geleverd; na al wat daaromtrent in het binnen- en buitenland reeds is geschreven (een berg van literatuur), valt op dit stuk noch pro, noch contra iets nieuws meer te zeggen. Het nieuwe, dat onze Vereeniging kan geven en dat daarom juist van haar zal worden verwacht, is de uiteenzetting van feitelijk bestaande toestanden en de toetsing van de bepalingen in het ontwerp aan die feiten. Bovendien is voor de leden onzer Vereeniging, industrieëlen en mannen van de praktijk, de praktijk der wet van overwegend belang; wie het beginsel toejuicht, maar tegelijk ervaart dat de uitwerking daarvan hoogst belemmerend zou zijn, zal allicht zich tegen de regeling, zooals zij daar ligt, verklaren; wie tegen het beginsel wel bezwaar heeft, maar erkent dat de uitwerking zich aanpast aan de bestaande toestanden, kan geneigd zijn zich bij de regeling neer te leggen. Ook uit dien hoofde is de praktijk voor ons overwegend.

Over het beginsel der wetsvoordracht als staatkundige theorie zal hier dus niet worden gesproken; echter zij hier uitdrukkelijk voorop gesteld dat in elk geval eene regeling als de onderhavige met bijzondere omzichtigheid moet worden ontworpen, omdat de eischen van de verschillende industrieën onderling zeer uiteenloopen en dus eene algemeene, voor heel de nijverheid geldende regeling, gevaar loopt door haar eenvormigheid de eischen der praktijk te miskennen. Hoezeer dat gevaar van miskenning der praktijk inderdaad bestaat, mag blijken uit het feit dat bij de regeling der dienst- en rusttijden van het spoorwegpersoneel (ingevolge art. 113 van het Reglement op den dienst van de spoorwegen), de onderling zoo geheel verschillende dienst van machinisten en van wegwachters op denzelfden voet is geregeld!

Op grond dezer overwegingen wordt dus in het navolgende

Sluiten