Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het wettelijk stelsel allermeest getoetst aan practische eischen en zal met name onderzocht worden of 1°. de voorgedragen regeling in haar beperkingen niet te ver gaat, 2°. of zij de zoozeer gewenschte elasticiteit bezit, waardoor zij alleen een waarlijkbruikbare regeling zijn kan.

De concurrentie met het buitenland.

Er is echter nog eene vraag, die vóór de beide andere hier ter sprake gebracht moet worden. Zooals van zelf spreekt, belet de voorgedragen regeling den werkgever niet dag en nacht in zijn fabriek te doen werken, maar kan zij wel leiden tot de noodzakelijkheid om meer personeel aan te stellen, ten einde beperking der productie te voorkomen. Het is duidelijk dat zoodanige noodzakelijkheid een last kan zijn voor het bedrijf, dat daardoor de voortbrenging öf geringer óf duurder (door hooger loon voor overwerk) kan worden en dus de mededinging moeilijker. Waar nu de wettelijke regel voor alle Nederlandsche werkgevers geldt, kan men aannemen dat bovenbedoeld bezwaar ten aanzien der onderlinge concurrentie van Nederlandsche producenten niet al te groot kan worden geacht, daar allen gelijkelijk in eene ongunstiger positie gebracht worden. Maar wij leven niet als op een verafgelegen eiland, waar de bewoners uitsluitend van binnenlandsche producten zich voorzien en waaide producenten alleen voor de eigen markt werken. Alles wat onze productie-wijze raakt, moet getoetst worden aan de vraag of de buitenlandsche concurrenten (met name de Engelsche) in gelijke omstandigheden verkeeren. De voortbrenging van Nederlandsche producten te belemmeren of duurder maken is onze iiulustriëelen op het stuk der concurrentie met het buitenland in slechter positie brengen, tot schade van onze industrie, d. i. zoowel van onze werkgevers als middelijk ook van onze werklieden. Bij de beoordeeling van bepalingen als de onderhavige, richt zich dus van zelf liet oog naar het buitenland en rijst de vraag of onze concurrenten over de grenzen niet door onzen wetgever tegenover ons bevoorrecht zouden worden. In antwoord op die vraag mag met eene verwijzing naar de uitvoeriger mededeelingen daaromtrent op blz. 5 en 6 van het door onze

Sluiten