Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te dezer zake aan wat boven betoogd is met betrekking tot de noodzakelijkheid om uit te maken of ook nachtwakers (trots de bewoordingen van art. 1) als „arbeiders" onder deze wet zouden vallen; herinnerd ook aan wat boven gezegd is omtrent de wenschelijkheid om liet uur, waarop de „nacht" aanvangt, door den werkgever te doen vaststellen.

De wettelijke regel omtrent de nachtrusttijden maakt het bestaan van vaste nachtploegen onmogelijk en veronderstelt een wekelijksche wisseling van dag- en nachtploeg in de ondernemingen, waar nachtarbeid normaal voorkomt. Inderdaad is zoodanige wekelijksche wisseling, ook blijkens onze gegevens, regel. Wij wijzen hier op het feit dat in een der vragenlijsten het bestaan van een viertiendaagsche wisseling der ploegen wordt meegedeeld, welke veertiendaagsche wisséling zoowel door den patroon als dooide werklieden boven eene wekelijksche verkozen werd; de wet zal hier een door partijen zeiven niet verlangde wijziging noodzakelijk maken.

Hoewel, zooals gezegd, in vele bedrijven nachtarbeid onder normale omstandigheden niet voorkomt en elders een wekelijksche wisseling der ploegen den toestand in overeenstemming doet zijn met den wettelijken eisch, kan deze toch in de praktijk tot moeilijkheden leiden, juist waar zoo vaak buitengewone en onvoorziene omstandigheden zich voordoen. In verband daarmee moet worden opgemerkt dat hier echter afwijking van den wettelijken regel, ook voor enkele nachten, niet zonder voorafgaande ministerieële vergunning mogelijk is. Reeds werd er boven op gewezen dat die vergunning vaak lang zal kunnen uitblijven, terwijl juist de aard van het geval om zeer spoedige voorziening vraagt.

Eene gelijksoortige bepaling als voor de arbeidstijden ware hier dus gewenscht. Gelijk bij de arbeidstijden en bij de Zondags-

duidelijk blijkt — dat de Minister aan die vergunning voorwaarden kan verbinden opdat „de arbeiders ten aanzien aan wie overwerk geoorloofd zal zijn, tusschen hunne werkuren behoorlijke rust- of schafttijden genieten.'' De Minister zal dus eventueel niet alleen overwerk kunnen verbieden (door de vergunning te weigeren), maar hij zal ook, overwerk toestaande, kunnen vaststellen op welke uren dat wèl en wanneer het niet mag worden verricht. Dat eene onoordeelkundige „voorwaarde" in de vergunning dit verlof feitelijk geheel onbruikbaar kan maken, spreekt wel van zelf.

Sluiten