Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beantwoordingen van de straks gestelde vragen, zal men mij ten goede houden, dat ik eerst het antwoord geef, waarmede ik het zelf niet eens ben. Het gaat hier immers erom, twee gescheiden opvattingen tegenover elkaar te stellen, en zoo zal men moeten dulden, dat ik aan de opvatting, welke ik ten slotte zelf aanvaard, mijnerzijds het laatste woord toekenne. Ik twijfel niet of straks anderen het ook voor de tegengestelde opvatting wel zullen willen opnemen. Het door mij verworpen antwoord dan op de straks gestelde vragen is het volgende: het moge waar zijn, dat noch in den text, noch in de geschiedenis van de wet aanleiding kan gevonden worden om voor een ontzetting den eisch te stellen, dat de verwaarloozing een kwaadwillige zij geweest, toch moet o.i. aan dezen eisch onvoorwaardelijk worden vastgehouden. Zeker is de ontzetting naar de Kinderwetten niet bedoeld als een strafmaatregel tegen ouders of voogden, maar enkel als een maatregel in het belang der minderjarigen. Maar het belang der minderjarigen wordt allerminst gediend door losmaking van den oudei lijken band ook daar, waar den ouder schuld niet treft. Indien zich al somtijds het geval mocht voordoen, dat een minderjarige in materieel en in geestelijk opzicht van alles tekoit komt, zoodanig dat hij naar het gewoon spraakgebruik een verwaarloosde moet worden genoemd, dan nog mag hij daarom nog niet aan zijn ouder worden ontnomen. Bovendien moet blijken, dat deze die verwaarloozing had kunnen voorkomen, schuldig daaraan is. Nemen wij het meest voorkomende geval van verwaarloozing als gevolg van groote armoede. De ouder ziet zich door armoede genoodzaakt aan zijn kind het noodige voedsel te onthouden. Tengevolge van armoede, gebrek aan schoeisel en kleeding, wordt het kind niet naar school gestuurd; ontbreekt toezicht; komt het te verkeeren in een staat van vervuiling. De ouder doet wel zijn best, maar kan eenvoudig aan al deze treurigheid geen einde maken. Mag hij nu daarom

Sluiten