Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paalde kwaadwilligheid van den ouder; zoolang kwaadwilligheid ontbreekt, zal andere hulp kunnen worden geboden.

En zoo mede de stelling, dat ingeval van blootelijk financiƫele onmacht ontheffing niet te pas komt. De kinderwetten zullen niet behoeven te treden op het terrein van armenzorg, zoodra deze zelf haar gebied behoorlijk cultiveeit. Zoo moet dan ons streven zijn, mijnheer de Voorzitter, te zorgen dat de thans onjuiste stellingen juist worden. Zij zullen dit zijn, zoodra verwaarloozing bewijst onwaardigheid. Thans is dit nog niet het geval. Thans hebben wij veelal nog niet het recht den verwaarloozenden ouder deswege te verachten. De fout ligt dikwijls meer bij ons dan bij hem. Laten wij er naar streven dat recht tot verachten deelachtig te worden. Een onedel streven, al zou het zoo op het eerste gezicht schijnen, is dit niet. Zoodra wij het recht tot verachten zouden hebben verworven, zal het getal personen, dat van die verachting tot object zou moeten strekken, geslonken zijn tot slechts zeer weinigen, ware het totgeene!

De Voorzitter. Uit naam van de vergadering breng ik den spreker onzen welgemeenden dank, voor de keurige wijze, waarop hij zijn onderwerp heeft ingeleid, loen ik straks de vergadering opende, sprak ik de verwachting uit, dat het onderwerp dat in deze vergadering door hem zou worden behandeld, tot tegenspraak zou prikkelen. Die verwachting is niet beschaamd. Er zijn verschillende stellingen door den spreker verkondigd, die zeker niet door alle aanwezigen voetstoots beaamd zullen worden. Ik zal daarom beginnen, met de vraag wie der aanwezigen een lans wenscht te breken met den geachten inleider.

De Heer Lechner, uit Schiedam.

M. de V. Ik ben lid van den voogdijraad, van welken de

Sluiten