Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan vraag ik mij af, hoe moet dat op het kind werken? Daarom geloof ik, dat wij zeer voorzichtig moeten zijn.

De Voorzitter. Als niemand meer het woord verlangt, wensch ik zelf nog een enkel woord te zeggen.

De inleider zal niet vermoed hebben, dat hij mij bij zijn inleiding met mijn gedachten gevoerd heeft naar Trafalgar Square in Londen, naar het standbeeld van Nelson, die de bekende woorden gesproken heeft: „Engeland verwacht, dat heden ieder zijn plicht zal doen".

Zoo meen ik, dat elke wetgever moet uitgaan van de onderstelling, dat alle organen in dienst van den Staat hun plicht doen. Dus moeten wij ook uitgaan van de onderstelling, dat de armbesturen hun plicht doen. De geachte inleider heeft dit niet gedaan en er integendeel nadruk op gelegd, dat de ervaring geleerd heeft, dat het in Nederland veel voorkomt dat dit niet het geval is. Dit laat ik voor zijn verantwoording; de conclusie, die hij uit het door hem als vaststaand aangenomen feit trekt, kan ik intusschen niet deelen. Het voorbeeld, dat hij aangeeft, overtuigt mij eer van het tegendeel. Wanneer ik op mijn kantoor vier bedienden heb, waarvan er maar één liet werk doet en de drie anderen lanterfanten, dan zou dat voor mij allerminst aanleiding zijn, dat ik dien eenen man voor vier zou laten werken, want dan zou ik vreezen, dat hij onder zoo grooten last spoedig zou bezwijken. M. i. behooren alle bedienden ijverig te zijn en zijn ze dat niet, dan moeten de luie verwijderd worden. Zoolang men echter geen andere heeft, moet men den ijverige een noodhulp verschaffen, doch niet toelaten dat hij zich doodwerkt. Zoo meen ik, dat wanneer werkelijk waar is, wat de geachte inleider voorop stelt n.1., dat de Armbesturen in veel opzichten te kort schieten, wij dan in een overgangstijdperk verkeeren, en moeten trachten aan dat euvel tegemoet te komen, door desnoods een noodhulp aan te schaffen, die tijdelijk het werk der armbesturen doet. Handelt men anders, wentelt

Sluiten