Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men op den. ijverigen bediende, in dezen het Departement van .Justitie, den ganschen financieelen last, die op de armbesturen behoorde te drukken, dan zal 't ongewenschte gevolg zijn, dat de last ook voor Justitie te zwaar blijkt. In normale omstandigheden behooren èn de ouders èn de armbesturen hun plicht te doen. Alleen in geval, dat de ouders werkelijk te kort schieten, moet er ontzetting of ontheffing plaats kunnen vinden, altijd moet er echter aan den kant der ouders een tekortkoming zijn. Voor het geval, dat die tekortkoming niet te wijten is aan eenige schuld van de zijde der ouders, heeft de wetgever zeer terecht den maatregel van ontheffing ingesteld, doch is er schuld bij de ouders, dan behooren ze ontzet te kunnen worden. De inleider stelde voorop, dat uit de wet niet zou af te leiden zijn, dat ontzetting wordt bedoeld als een maatregel die onaangenaam moet werken. Dat is m. i. niet geheel juist. Reeds de inhoud van artikel 374 B.W. toont dit aan. Lang vóór dat de kinderwetten er waren, bestond er reeds ontzetting van ouders en voogden, doch toen als straf. Toen had ontzetting ongetwijfeld steeds het karakter van iets onaangenaams. Dat karakter zit nog in het woord. De woorden, ontzetten, afzetten, uitzetten, wijzen alle op iets ongenaams. Ik ben het daarom geheel eens met den heer Van Hamel, dat ontzetting ook thans nog het karakter heeft van iets zoo onaangenaams, dat een rechtgeaard burger dit altijd moet trachten te ontwijken.

Daar de tijd dringt, geef ik nu het woord aan den geachten inleider tot het beantwoorden der verschillende sprekers.

De Heer Schadee.

M. de V., Geachte Vergadering!

Ik ben niet in mijn verwachtingen beschaamd geworden, dat hetgeen ik in het midden zou brengen van verschillende zijden debat zou uitlokken en dat door verscheiden aan-

Sluiten