Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezigen het woord zou worden genomen. Ik zal trachten zoo kort mogelijk de verschillende sprekers te beantwoorden.

De meest principiƫele bestrijding is gekomen van den lieer Van Hamel, terwijl ook de voorzitter, voor zoover het de juridische zijde der zaak betreft, getracht heeft aan te toonen, dat in de wet kan worden gevonden, wat ik vermeen er niet in te mogen lezen. Allereerst den voorzitter beantwoordende, meen ik, dat de argumenten zijner bestrijding veeleer pleiten voor mijn stellingen. Dat vroeger ontzetting iets was, dat alleen voorkwam in strafzaken, in gevallen waaraan een odium verbonden was, bewijst geenszins, dat dit ook nu het geval zou zijn. Juist uit de verandering in de wetgeving kan men het omgekeerde afleiden. Vroeger was ontzetting een strafmaatregel, doch bij de totstandkoming der Kinderwetten is uitdrukkelijk gezegd, dat zij niet langer zal zijn een strafmaatregel, maar uitsluitend een maatregel in het belang van de kinderen. Vroeger was dus ontzetting een maatregel, die enkel op misdadigen werd toegepast; tegenwoordig is dit niet meer het geval, kan de maatregel op personen worden toegepast, die nimmer met den strafrechter in aanraking zijn geweest. Juist het feit, dat de ontzetting is overgebracht uit het Strafwetboek naar het Burgerlijk Wetboek, is een bewijs voor mijn, stelling, instede voor die van den voorzitter.

Wat de bestrijding door den heer Van Hamel betreft, deze verwijt mij, dat mijn stelsel veel te veel centraliseerend zou werken, ik zoude van den Voogdijraad een machine maken. Ik geloof niet, M. de V., dat het verwijt mij terecht kan gemaakt worden. Ik zou de positie van den Voogdijraad in dezen willen ophelderen door hem met een paar andere instituten te vergelijken. Wij hebben een rijksinstelling, de Rijksverzekeringbank, die in zekere gevallen hulp moet geven aan menschen, die een zeker ongeluk gehad hebben. Hoe werkt die Bank? Zuiver werktuiglijk.

Sluiten