Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en vereenigingen, met verzoek gemotiveerd te willen mededeelen of inderdaad in de practijk „bezwaren van blijvenden aard zijn kenbaar geworden tegen de strafrechtelijke Kinderwetgeviug, zoo ja, van welken aard en omvang die bezwaren zijn, en op welke wijze deze naar (hun) oordeel zouden kunnen opgeheven worden".

Ons bestuur heeft gemeend over dat onderwerp geen openbare vergadering te moeten beleggen, omdat den Minister van alle kanten voldoende inlichtingen zouden bereiken ; en ook omdat het aantal desiderata zoo groot was en dikwijls zoo afdalend in details, dat een openbare bespreking daarvan hoogst bezwaarlijk zou zijn. Groote principes waren er niet in gemoeid en kwesties van strafvordering zouden bij het publiek weinig belangstelling wekken.

Wat het burgerrechtelijk doel der Kinderwetten betreft, U allen is bekend de Wijzigingswet van 27 September 1909 (S. 322,) die op 1 December 1909 in werking is getreden. Vooral aan de zorg voor onechte kinderen is daarin de aandacht geschonken en meer nadruk gelegd op de verplichting ten minste van stoffelijke verzorging door de ouders na ontzetting en ook na echtscheiding.

En de wet van 16 November 1909 (S. 363) „tot wijziging en aanvulling van enkele artikelen van het Burgerlijk Wetboek ter opheffing van de bezwaren, waartoe het bestaande voorschrift betreffende het Onderzoek naar het Vaderschap aanleiding geeft" is in werking getreden 15 December 1909. Daarmee is dan ook de eigenlijke sluitsteen aan het groote werk der Kinderwetten aangebracht. Feitelijk zal deze wet eerst in October a.s. worden toegepast; maar hoe krachtig het particulier initiatief door die verschillende wetten en maatregelen is opgewekt om met de Regeering samen te werken tot verhooging van het zedelijk peil van het volk, blijkt wel hieruit, dat nu reeds consultatiebureaux zijn in het leven geroepen te Arnhem, Den Haag,

Sluiten