Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

De Kapoewas beneden Sëmitau.

Borneo en niet het minst West-Borneo, stond bij mij ter faam bekend als een modderland. Of het dezen roep, voor een geoloog zoo weinig aanlokkelijk, verdiende, wist ik, toen ik op 8 Februari 1894 des morgens met zonsopgang den mond van de Kapoewas te gemoet stoomde, nog niet, maar wèl zag ik toen in, hoe het daaraan moest zijn gekomen. Immers modder zendt Borneo iederen nieuw-aankomende als welkomstgroet tot ver in zee te gemoet. Reeds op een vijftigtal kilometers van de kust had het heldere zeewater plaats gemaakt voor het wankleurige, modderige water van de Kapoewas, dat op het zoute water drijvend, zich slechts langzaam daarmede mengt. De grens tusschen het rivier- en het zeewater is zeer scherp; zij wordt gekenmerkt door een lichte kabbeling in het water en door een streep van opgehoopte, plantaardige stoffen en schuim. Bij zeer hoogen waterstand der rivieren, voor de Kapoewas dus gewoonlijk in de maanden November, December en Januari, kan deze grenslijn tot buiten Poelau Datoe, meer dan 62 K.M. buiten de monding van de Kapoewas Këtjil verschoven zijn.

De eigenlijke kustlijn was nog niet in het gezicht, maar in het Noorden zag ik het heuvelland der Chineesche distrikten, als een archipel van steile eilanden door den morgennevel omkranst. Recht voor den boeg ligt de G. Lontjek (124 M.), de meest westelijke voorpost van het heuvelland ten Oosten van de moerassige Kapoewas-delta, als een voortreffelijk landmerk; zuidoos-

Sluiten