Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i3°

rivier, echter boven het niveau van lagen waterstand in die rivier.

Deze omstandigheid heeft ten gevolge, dat de hydrographische toestand van het meerengebied geheel door de Kapoewas wordt beheerscht. Bij was van de Kapoewas stroomt haar water door het bed van de Tawang en door tal van kleine natuurlijke kanalen naar de meeren, die daardoor geheel worden gevuld. Natuurlijk draagt ook het water, dat van de omringende bergen naar het meerengebied stroomt en dan door het Kapoewaswater wordt opgestuwd, veel tot snelle vulling van de meeren bij. Feitelijk zijn in dien toestand de meeren niets anders dan een deel van den sterk horizontaal uitgebreiden Kapoewasstroom zelf, dus echte „Hochflutseeën". Daalt nu het water in de Kapoewas, dan begint ook het water in de meeren te zakken, echter veel langzamer dan in de Kapoewas zelf, daar het slechts langs een beperkt aantal, betrekkelijk smalle wegen naar de Kapoewas kan afstroomen. Valt het water in de Kapoewas snel, dan kan de stroomsnelheid in de Sei. Tawang en de andere verbindingswegen zeer groot worden. Neemt eindelijk de waterstand in de Kapoewas zoo sterk af, dat hij tot beneden het gemiddelde bodempeil der meeren daalt, en houdt deze lage waterstand eenigen tijd aan, waarvoor een paar aan regen zeer arme maanden voldoende zijn, dan loopen de meeren geheel leeg en er blijft alleen water over in enkele poelen en in de diepe beddingen van de rivieren, die op de omliggende bergen ontspringen, als de Lëbojan, de Soempa, de Sëryang, de Tawang en anderen, die hun water grootendeels door de Sei. Tawang in de Kapoewas ontlasten. Alleen in droge jaren komt het tot min of meer volledige lediging der meeren.

Van groote en heilzame beteekenis zijn de meeren als regelaars van den waterstand in den middenloop van de Kapoewas, waarvoor wij het gedeelte van Sëmitau tot Tajan aannemen. Immers, bij de plotselinge en onstuimige vloeden van de Boven-Kapoewas na zware regens, wordt een groot deel van het water over het meerengebied verspreid, waardoor de kracht van den vloed wordt gebroken, terwijl omgekeerd de meeren, bij snellen en

Sluiten