Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

struikgewas van gemiddeld 3 M. hoogte maakte dat wij, daar wij zeer onvoldoende van kapmessen waren voorzien, slechts zeer langzaam vooruitkwamen. Te half vijf waren wij tot aan den eigenlijken berg gevorderd op een plaats, waar een zijtak van de Sei. Sétoengoel in een reeks van watervallen over kolossale zandsteenplaten naar beneden stort. Te half zes bereikten wij den top en het bleek, dat de geheele berg bestaat uit zandsteenbanken, afgewisseld door enkele kleisteenlagen, die met een strekking O 1 o Z onder een hoek van 2 3 naar het Zuiden hellen. Naar het Noorden zijn zij steil afgebroken en dit verleent aan den Sétoengoel zijn éénzijdigen bouw, welke zich bij alle, meer oostwaarts op den Sétoengoel volgende heuvels van de Sébalang-reeks herhaalt. Van uit Sémitau, uit het Noorden, ziet men tegen de steilten dezer heuvels en van daar kan men de afgebroken uiteinden der zandsteenbanken als heldere witte plekken tusschen de groene woudbekleeding onderscheiden. De zandsteen is grauw van kleur; sommige lagen bevatten tusschen de kwartskorrels talrijke stukjes kleisteen, waaidoor zij het karakter van grauwacke verkrijgen. Hier en daar komen verkoolde plantendeelen in den zandsteen voor. In den zandsteen van den aan den Sétoengoel grenzenden Bt. Lilin komen volgens Everwijn1), die ook den Sétoengoel bezocht, dunne lagen zuivere kool voor.

Terwijl ik nog boven op den berg mij oriënteerde, werd ik plotseling door het doordringende gekrijsch der kériangs gewaarschuwd, dat de zon onder ging en ik mij dus had verlaat. Inderdaad was de weg terug in de duisternis over het door ons pas gekapte of platgeslagen struikgewas uitermate vermoeiend, zoodat ik eerst te 7.30 p. m. mijne sampans weder bereikte, waarmede ik terstond den tocht voortzette. Tusschen dit punt en Sintang is de Kapoewas nog eenmaal genoodzaakt een belangrijke hindernis te ontwijken, nl. het Penai-gebergte. Met groote kronkelingen omgaat de rivier dit gebergte aan de westzijde.

1) Everwijn , //, p. 23-

Sluiten