Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Leerrijk is, wat Posewitz *) mededeelt als de vermoedelijke gesteldheid van dit toen nog onbekende grootsche bergland: „Vom östlichen Grenzgebirge Serawak's, östlich vom G. Saribusaratus, haben wir keine Kenntnisse. Das Nichtvorkommen des so verbreiteten Seifengoldes in diesen Gegenden Serawak s spricht aber indirekt dafür, dass die Verbreitung der „Gebirgsformation" hier keine grosse sein mag; dass vielleicht nur wenige kleine Gebirgsinseln daselbst vorkommen mögen .

Een voorbeeld uit de velen over het gevaarlijke van het maken van gevolgtrekkingen omtrent den vermoedelijken bouw van onbekende streken in werken van compilatorischen aard.

De middenste strook ligt in het algemeen lager dan de begrenzende terreinen. Zij kan in een oostelijke en een westelijke helft worden verdeeld. De oostelijke omvat het heuvelland dat zich zuidwaarts aan het Boven-Kapoewas-ketengebergte aansluit. Ook hier is de heerschende strekking der heuvelrijen en kamhooo-ten in den regel een oost-westelijke, maar toch onderscheidt zich dit gebied van het eerstgenoemde door geringere hoogte en meer veelzijdige configuratie en sterk varieerende vorm der berg-en en dalen. De aard van dit terrein laat zich in het Boengan-dal het best bestudeeren en daarom wil ik dit geheele gebied het Boengan-berglancl noemen. De westelijke helft omvat de eigenlijke Boven-Kapoewas-laagvlakte, een bijna absoluut vlak terrein , waarin slechts zeer sporadisch eenige heuvels voorkomen. Zijn gemiddelde hoogte boven den zeespiegel bedraagt niet meer dan 37 M. Westwaarts gaat dit terrein geleidelijk over in de laagvlakten van het meerengebied.

... i 1

De zuidelijke strook is even als de noordelijke in het algemeen hooger dan de middenste. Hoewel nu deze geologisch en orographisch een geheel uitmakende strook eveneens in oostwestelijke richting hare grootste afmeting heeft, kan men hierin toch een oostwestelijke strekking van heuvelreeksen en een daarmede overeenkomstige oostwestelijke richting van een groot aan-

i) Th. Posewitz, 77, p. 119.

Sluiten