Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IX.

De Seberoeang en de Embahoe.

De Sëbëroewang en het bergland, waaruit deze rivier ontspringt, werd door mij tweemalen bezocht en wel van 25 Maart tot 3 April en van 7 tot 19 Augustus 1894. De tweede maal trok ik door het gebergte naar de Embahoe en zakte die rivier weder af naar de Kapoewas.

De plaats, waar de Sëbëroewang of Sëbëroewang bësar 2) in de Kapoewas uitmondt, ligt 20 KM. van Sëmitau en kan \ an daar met een roeiboot in 3 uur tijds worden bereikt. In haar benedenloop is de Sëbëroewang 40 breed en heeft zij een zeer sterk kronkelend verloop, waarvan bij hoogen waterstand enkele bochten door pintas kunnen worden afgesneden. De verhouding tusschen den waterstand van de Kapoewas en de Sëbëroewang is van grooten invloed op de snelheid, waarmede men haar stroomop kan roeien. De gunstigste verhouding is deze, dat de Kapoewas hoog en de Sëbëroewang laag is. Het water in de Sëbëroeang wordt dan door de Kapoewas opgestuwd en tegen gehouden en tot op een aanzienlijken afstand van haar mond is dan de strooming in de Sëbëroewang bijna onmerkbaar. Is daarentegen de Kapoewas laag en de Sëbëroewang hoog, dan is de stroomsnelheid ook in den benedenloop aanzienlijk en kost reeds daar het stroomopwaarts roeien krachtige inspanning. De

1) Men raadplege bij dit Hoofdstuk de kaarten III, IV en VIII en de profillen Kk en

LL' blad 19 van den atlas.

2) Sëbëroewang bësar, in tegenstelling met de veel minder aanzienlijke Sëbëroewang Sëni, die iets hooger insgelijks aan den linker oever zich met de Kapoewas veieenigt.

17

Sluiten