Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genoeg vertikaal gekliefd, waardoor de gelaagdheid weinig in het oog valt. Op den voorgrond staat de Dajak Tooi uit Lëmatak. Tooi is zoowel te Lëmatak als aan de Mëlawi getrouwd en was op weg, om een kind van hem bij zijne vrouw aan de Mëlawi te halen ten einde het aan zijn vrouw te Lëmatak te laten zien. De weg door de rivier is heden veel moeilijker dan gisteren,

omdat het water dieper is en er veel meer versperringen door groote, afgeronde en meestal zeer gladde zandsteenbanken in voorkomen.

Even vóór 3 p. m. hoorden wij in de verte roepen en weinige oogenblikken later lag de Kërëmoei, waarin de Panai uitmondt,

voor ons en ontmoetten wij de lieden, die ik uit Sintang met schuiten met proviand hierheen had gezonden. Zij waren juist aangekomen en hadden dus van Sintang af 17 dagen gereisd; klaarblijkelijk hadden zij de zaak nogal op hun gemak opgevat. Met hen was ook een Maleier, Boendjang genaamd, medegekomen, die hun als gids had gediend bij het opvaren van de Kërëmoei.

Hunne komst was mij bij uitstek welkom, want onze rijstvoorraad zou juist nog voor één of twee maaltijden voldoende zijn geweest.

Een van de Dajaks van Lëmatak was den vorigen dag op 24 Sept. een rotsblok van de Panai uitgegleden en had zich bezeerd, waardoor hij wat was achtergebleven. Toen hij zich niet meer bij ons voegde, ging Wangsa Patti terug om hem te zoeken en hem rijst te brengen. Hij kwam in den namiddag met de vracht van zijn stamgenoot te Na. Panai terug en deelde mede, dat deze verkoos te blijven waar hij was achtergebleven, en voornemens was, na een paar dagen rust, van daar terstond met de zijnen naar de Tëbaoeng terug te keeren. Ik maakte mij dit oponthoud ten nutte door mijne collectie, die nat was geworden, weder behoorlijk te voorzien en stevig in te pakken. Ook roeide ik de Kërëmoei een eindweegs op en bezocht daar eenige rolsteeneilanden en rolsteenbanken, op welke ik uitsluitend rotsblokken van zandsteen en kwartsiet aantrof, terwijl

Sluiten