Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vormden daarom het uitgangspunt bij de beoordeeling van den relatieven ouderdom der sedimentaire vormingen van Centraal-Borneo. Voorts staat van een oudere vorming, de kiezel-lei en tuf met Radiolariën, vast dat zij prae-cretaceïsch, waarschijnlijk jurassisch is. Eindelijk is voor de brakwaterafzettingen langs de Pinoh- en de Lëkawai-rivier en elders in het Mëlawi-dal bekend, dat zij van eoceenen ouderdom zijn (zie pag. 419). Voor de bepaling van den ouderdom en het onderling verband tusschen de overige vormingen ontbreken palaeontologische gegevens ten eenenmale en is men geheel aangewezen op kenmerken van algemeen-geologischen en petrographischen aard. Onder de geologische onderscheidende kenmerken komen dan vooral het al of niet geplooid zijn en het meer of minder opgericht zijn der lagen in aanmerking. Uit den aard der zaak kan dit echter slechts bij uitzondering tot volledige en juiste bepaling van de opeenvolging der systemen leiden, terwijl de petrographische kenmerken, die in sommige landstreken dikwijls nagenoeg even scherpe en juiste indeelingen kunnen geven als palaeontologische, ons juist in Borneo bijna geheel in den steek laten. In de formaties, die hier als cretaceïsch en tertiair zijn samengevat, volgen een reeks van lagen van zandsteen, kwartsitischen zandsteen en kleisteen op elkaar, welke gewoonlijk zooveel op elkaar gelijken, dat het niet mogelijk is, bepaalde horizonten daarin naar hun petrographisch karakter aan te geven. Het is dan ook niet alleen mogelijk, maar zelfs waarschijnlijk, dat later zal blijken, dat er nog andere dan de cretaceïsche en tertiaire formaties in dit uniforme complex van lagen schuilen.

Heeft immers nog niet lang geleden een gelukkige vondst in het district Sambas in West-Borneo aan het licht gebracht, dat een deel van het complex van zandsteen, kleisteen en mergels, waarvan men slechts den mesozoïschen ouderdom vermoedde, tot de Lias behoort, terwijl elders in ditzelfde complex fossielen uit de Bovenste Jura2) zijn gevonden en men grond heeft

1) T. G. Krause, 27, p. 154—168. 1895.

2) K. Martin, j>6, p. 23—51 (p. 31) 1895 en F. Vogel. 61, p. 127—153.

Sluiten