Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrikte. Daar ik er op rekenen kon, dat mijn onvermoeide metgezel niet zoo spoedig zijne jacht zou eindigen besloot ik een kijkje te nemen in de naastbij gelegen dessa (dorp).

't Was eene aardige plaats, rijk aan natuurschoon. Vooral had men een prachtig gezicht op den majestueuzen berg met zijne schoone wouden, maar ook .... met zijne tijgers. Hier en daar waren de inwoners aan hun werk. Nieuwsgierig keken zij naar den „toean wolanda," „den blanken heer," die daar heen wandelde in het zalige bewustzijn, dat hij een eervolle zege had behaald op eigen ij delheid.

Daar in de verte zag ik een huis, iets grooter dan de meeste Javaansche woningen. Voor dat huis zaten een veertigtal jongens, de meeste nog klein, sommige reeds volwassen. Zij zaten rustig op den grond gehurkt, ijverig bezig met het rooken van een strootje. De school, want ik was hier inderdaad bij een school,—„por anaq negri," „voor de kinderen des lands," zooals de Maleische vertaling van het woord „inlanders" luidt, — was een hoogst eenvoudig gebouw, waaraan blijkbaar niet meer kosten besteed waren dan strikt noodig was. Waar tiotiwens bijna de geheele dorpsbevolking in huizen woont, die naar onze begrippen niet meer zijn dan ellendige hutten, daar is het natuurlijk onnoodig scholen te bouwen, zooals wij die in Nederland gewoon zijn. In de Minahassa, en wellicht ook elders, bouwt men de scholen nog eenvoudiger, namelijk de houten wanden slechts ter hoogte van ongeveer een meter, en enkele meters daarboven

Sluiten