Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gierig naar den uitslag van mijne pogingen. Ik vertelde hein hoe het ook mij niet gelakt was den tijger te vinden. Wij lieten ons rijtuig inspannen, nadat wij eerst een toekang grobak („baas kar'', karrevoerder) hadden aangenomen om ons de twee varkens thuis te bezorgen. De drijvers ontvingen hun loon en keerden met hunne afgesneden staarten naar huis terug. Denk niet, lezer, dat ik u wijsmaken wil, dat de Javaan een staart heeft; ik bedoel eenvoudig de staarten van de varkens, die wij geschoten hadden; want daar de varkens zulke enorme schade aanrichten in de suikerrietvelden, loven sommige administrateurs van suikerfabrieken een prijs uit voor het dooden van die dieren. Hier bedroeg die prijs een gulden voor ieder varken, en als bewijs verlangde men niet het geheele dier te zien, maar alleen den versch afgesneden staart.

Wij reden naar huis. Het was prachtig weder; het was heerlijk koel, maar niet koud. Overal heerschte diepe stilte, die alleen een enkele maal werd afgebroken door het verwijderde geluid van den gamelang, het slaan van de „orang gardoe" (wachtpost) en van de wachters in de velden, of wel door het gezang van inlanders, die in de eenzaamheid hun lief en leed aan den nacht toevertrouwden. Gelijk ik straks reeds opmerkte, zingen zij, half en half onbewust, wat hun op het hart ligt of toevallig in de gedachten komt; soms ook zingen zij bepaalde liedjes. Ik zal dit artikel besluiten met eenige fragmenten aan te halen van een Maleisch liedje, dat ik mij nog herinner. Het

Sluiten