Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. dat hij kan lezen en schrijven, zich in het Nederlandsch goed weet uit te drukken en bekend is met de beginselen der Nederlandsche spraakkunst.

a«t

Door het maken van een schoonschrift en door het schriftelijk werk, dat den candidaat voor de verschillende vakken wordt gegeven, moot hij tooneri, eene duidelijk leesbare hand te schrijven.

Bij het lozen van een gemakkelijk prozastukje zal op uitspraak, klem- en Ieestoon gelet worden.

Door vragen over het gelezene zal hij uitgelokt worden daarover te spreken; daarbij wordt dan tegelijk zijne vaardigheid in het onderscheiden der rededeelen, in het splitsen van eiken eenvoudigen zin in hoofd- en onderdeelen en in het vlug herkennen dor naamvallen, op de proef gestold. De meerdere of mindere gemakkelijkheid. waarmede de candidaat zich in het Nederlandsch weet uit te drukken, wordt bovendien beoordeeld door een opstel over een algemeen bekend onderwerp.

Kennis van den samengestelden zin wordt niet gevorderd.

De aspirant moet zich dus „in het Nederlandsch goed weten uit te druken", en bij het lezen van een gemakke.ijk prozastukje toonen, dat hij eene goede uitspraak heeft, en niet te veel zondigt tegen klem- en leestoon. Dit is geen hooge eisch, doch niettemin is het voor velen in Indië het groote struikelblok. En op dit gedeelte van de eischen wordt te Batavia, en zeker zal het te Semarang en kSoerabaja niet anders zijn, het meeste gewicht gelegd. De ondervinding heeft geleerd, hoe noodig dit is. Toch moet men bij de beoordeeling van 't Nederlandsch wel eenige rekening houden met de Indische maatschappij, gelijk dit zelfs bij de aktenexamens geschiedt. Waar een leerling toont goed bekend te zijn met de beginselen der Nederlandsche Spraakkunst en verder, alles te zamen genomen,

Sluiten